Rechtspraak Redactionele analyse
Een ontruimde vloer bewijst niet dat een gebouw veilig is bij normaal gebruik
- Instantie
- Hoge Raad
- Uitspraakdatum
- 25 september 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:HR:2026:1560 ↗
Wie werkplekken ontruimt om een mogelijk constructief risico te beperken, mag die voorzorg niet ongemerkt als bewijs tegen zich terugzien. Dat is de kern van een belangrijk cassatiesucces van Waterschap Rijn en IJssel op 25 september 2026. In het geschil over bollenplaatvloeren in zijn hoofdkantoor had het gerechtshof rapporten over het inmiddels aangepaste gebruik betrokken bij een oordeel over de veiligheid bij de beoogde belasting. De Hoge Raad vond die redenering onvoldoende begrijpelijk. Naar ons oordeel is dit een waardevolle correctie: eerst moet vaststaan welke situatie een deskundige heeft onderzocht, voordat diens conclusie een juridische vraag kan beantwoorden.
De vloerproblematiek kwam jaren na de oplevering aan het licht
Het waterschap besteedde in 2007 de nieuwbouw van zijn hoofdkantoor aan. ADS Groep deed de winnende aanbieding en kreeg het verdere ontwerp en de uitvoering gegund. Het gebouw werd in november 2008 opgeleverd. In de verdiepingsvloeren waren gewichtsbesparende kunststof bollen verwerkt. Na de instorting van een parkeergarage bij Eindhoven Airport in 2017 liet het waterschap onderzoek doen naar de constructieve veiligheid van de vloeren in zijn eigen gebouw.
Een eerste inventarisatie leidde ertoe dat begin 2018 ongeveer 46 werkplekken werden ontruimd. Daarna volgden meerdere onderzoeken naar onder meer koppelwapening, plaatnaden, leidingen en het effect van aanvullende wapening. Het waterschap stelde ADS aansprakelijk. Die was bereid mee te werken aan een werkbare oplossing, maar erkende daarmee geen aansprakelijkheid. Het latere juridische debat ging dus niet alleen over berekeningen, maar ook over de betekenis daarvan onder de overeengekomen bouwvoorwaarden.
Waarom het onderscheid tussen vijf en tien jaar ertoe deed
Op de aannemingsovereenkomst waren de UAV-GC 2005 van toepassing, behoudens overeengekomen afwijkingen. Paragraaf 28 kende voor vorderingen wegens gebreken na oplevering verschillende termijnen. In de besproken bepaling stond tegenover een termijn van vijf jaar een termijn van tien jaar voor bepaalde ernstige situaties: dreigende instorting of ongeschiktheid voor de overeengekomen bestemming onder de daarin genoemde voorwaarden. Het precieze toepassingsbereik was van grote betekenis doordat de problemen jaren na oplevering werden onderzocht.
Dat maakt de vraag naar ernst juridisch anders dan een algemene vraag of een gebouw prettig bruikbaar is. De contractuele criteria bepalen of de langere termijn kan worden ingeroepen. De Hoge Raad heeft in deze zaak niet beslist dat iedere ontruiming van werkplekken automatisch aan die criteria voldoet. Evenmin is geoordeeld dat elk gebrek aan een breedplaatvloer ernstig is in de zin van deze bepaling. De beoordeling moet aansluiten bij het contract en de relevante technische feiten.
Een rapport over minder belasting beantwoordt een andere vraag
Het hof had geoordeeld dat dreigend instortingsgevaar niet voldoende was komen vast te staan. Daarbij betrok het bevindingen van ingenieursbureau ABT uit 2019. Die zagen echter op een situatie waarin al maatregelen waren getroffen en waarin een deel van het gebouw niet meer als normale kantoorruimte werd gebruikt. Het waterschap klaagde in cassatie dat deze bevindingen niet zonder meer iets zeiden over de veiligheid van het ontruimde deel bij de oorspronkelijk beoogde belasting.
Die klacht slaagde. De Hoge Raad benadrukte het verschil tussen de actuele situatie na maatregelen en de hypothetische situatie waarin het ontruimde gedeelte weer als kantoor zou worden ingericht en gebruikt. Zonder nadere uitleg konden conclusies over het eerste scenario niet bijdragen aan een oordeel over het tweede. Dat klinkt eenvoudig, maar in een omvangrijk technisch dossier kan juist dit uitgangspunt verdwijnen achter tabellen, rapportversies en veranderende gebruikssituaties.
De reikwijdte van een deskundigenonderzoek moet zichtbaar blijven
Er speelde nog een tweede inhoudelijke klacht. Het hof verwees naar een deskundige die uitgesproken was over het ontbreken van dreigend instortingsgevaar. Het waterschap had echter aangevoerd dat deze deskundige alleen berekeningen voor de eerste verdiepingsvloer had gemaakt. Volgens het waterschap kon daarmee geen uitspraak over de andere vloeren worden onderbouwd. Het hof had die essentiële stelling niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken.
Ook dat bezwaar trof doel. Het belang daarvan gaat verder dan de keuze tussen twee deskundigen. Een conclusie kan degelijk zijn binnen haar eigen onderzoeksbereik en toch onvoldoende om een ruimere juridische conclusie te dragen. Wie slechts één verdieping onderzoekt, heeft daarmee niet vanzelf iedere andere verdieping beoordeeld. De rechter hoeft niet zelf constructeur te worden, maar moet wel motiveren waarom het gebruikte onderzoek antwoord geeft op de vraag die voor de beslissing van belang is.
Het geslaagde proceswerk van het cassatieteam
Het waterschap werd in cassatie bijgestaan door Bart van der Wiel en Tijs van Tatenhove van Houthoff. In de schriftelijke toelichting droegen volgens het arrest ook Lindsay Burwick en J.H.G. Hordijk bij. De Hoge Raad honoreerde verschillende klachten die eenzelfde probleem vanuit afzonderlijke invalshoeken blootlegden: de beoordeling van instortingsgevaar was gebaseerd op omstandigheden nadat juist maatregelen tegen dat mogelijke gevaar waren getroffen.
De concrete bijdrage die uit de uitspraak blijkt, is daarmee meer dan het in algemene termen aanvechten van een deskundigenoordeel. De klachten brachten het onderzochte scenario, de beoogde belasting en het bereik van de berekeningen afzonderlijk in beeld. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest. Het arrest maakt de samenwerking binnen het team expliciet. Van Tatenhove en Van der Wiel droegen de zaak als cassatieadvocaten; de genoemde bijdragen aan de schriftelijke toelichting laten zien dat dit resultaat verschillende betrokkenen kende.
Voorzorgmaatregelen mogen de oorzaak niet uit beeld drukken
Een verdere geslaagde klacht betrof het oordeel dat het afgezette vloerdeel in onbelaste toestand niet aan instortingsgevaar onderhevig was. De Hoge Raad vond het onbegrijpelijk dat het hof het contractuele instortingsgevaar kennelijk had beoordeeld met inachtneming van de maatregelen die volgens het waterschap juist waren genomen om dat gevaar te voorkomen. Het waterschap stelde immers dat het gebouw zonder die maatregelen dreigde in te storten.
Wij vinden dat een belangrijke bescherming tegen een cirkelredenering. Een eigenaar die uit voorzorg een deel van een gebouw sluit, vermindert daarmee mogelijk het risico. Daaruit volgt nog niet dat zijn oorspronkelijke zorg ongegrond was. Tegelijk blijft het aan die eigenaar om het gestelde gevaar en de betekenis voor de contractuele bepaling behoorlijk te onderbouwen. De uitspraak verandert voorzorg niet in sluitend bewijs; zij voorkomt dat het effect van voorzorg zonder goede uitleg het bewijs van het oorspronkelijke probleem verdringt.
Het tegenargument van de aannemer bleef relevant
ADS stelde in het voorwaardelijke incidentele beroep een vraag over de uitleg van de UAV-GC. Moest het vereiste van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen zowel gelden bij dreigende instorting als bij ongeschiktheid voor de bestemming? De Hoge Raad accepteerde de uitleg dat deze aanvullende voorwaarde alleen betrekking had op het bestemmingscriterium. De tekst en de toelichting bij de voorwaarden boden daarvoor voldoende grond. Het incidentele beroep van ADS werd verworpen.
Daarmee is niet iedere inhoudelijke discussie in het voordeel van het waterschap beslist. De Hoge Raad vernietigde vanwege gebreken in de motivering en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dat hof moet de zaak verder behandelen. De aannemer is in dit arrest niet definitief veroordeeld tot betaling van de herstelkosten en het instortingsgevaar is niet als definitief bewezen vastgesteld. Juist die begrenzing maakt de inhoudelijke betekenis van het cassatiesucces zuiver.
Fictief voorbeeld: het lege archief en de oorspronkelijke belasting
Het volgende voorbeeld is volledig fictief. Een gemeente gebruikt een verdieping als archief. Na een eerste constructief onderzoek haalt zij uit voorzorg zware dossierkasten weg en sluit zij een deel van de ruimte af. Een later rapport concludeert dat bij de actuele belasting geen acuut gevaar bestaat. In een procedure over bouwgebreken beroept de aannemer zich daarop. De gemeente wijst erop dat het rapport alleen de inmiddels lege ruimte beoordeelt. Haar vraag is wat er zou gebeuren als de verdieping overeenkomstig het afgesproken ontwerp weer als archief wordt gebruikt. Voor dat scenario zijn de actuele bevindingen niet zonder meer beslissend. Er moet worden uitgelegd welke belasting is doorgerekend en waarom het rapport de gevraagde conclusie wel of niet ondersteunt. Dat betekent nog niet dat de gemeente haar zaak wint; het betekent dat de juiste situatie moet worden onderzocht.
Checklist voor technische bewijsvoering over bouwgebreken
- Noteer per rapport de datum, de onderzochte vloerdelen en het gekozen belastingsscenario.
- Leg vast welke veiligheidsmaatregelen vóór ieder onderzoek al waren getroffen.
- Onderscheid actueel gebruik van het gebruik waarvoor het werk contractueel bedoeld was.
- Controleer of een conclusie over één verdieping ook werkelijk andere verdiepingen omvat.
- Verbind de technische bevindingen aan de precieze contractuele aansprakelijkheidscriteria.
- Reageer gericht op stellingen die het onderzoeksbereik of de uitgangspunten betwisten.
- Presenteer vernietiging en verwijzing niet als een definitieve toewijzing van herstelkosten.
Onze conclusie: de uitgangspunten horen naast de uitkomst te staan
De kracht van dit cassatiesucces ligt in de controle van de redenering tussen rapport en oordeel. Technische rapporten hoeven elkaar niet rechtstreeks tegen te spreken om toch verschillende vragen te beantwoorden. Een onderzoek naar huidig gebruik kan nuttig zijn voor onmiddellijke veiligheidsbeslissingen, terwijl een andere beoordeling nodig is voor het contractueel beoogde gebruik. Die scenario’s moeten in een procedure zichtbaar naast elkaar blijven staan.
Het team van het waterschap bereikte dat een onvoldoende gemotiveerde afwijzing opnieuw moet worden beoordeeld. Voor de bouwpraktijk is dat een bruikbare les in dossierdiscipline: rapporteer niet alleen de berekende uitkomst, maar ook de relevante aannames en ingrepen. Voor de procespraktijk is de les even concreet: toets of de rechter een onderzoeksconclusie heeft gebruikt binnen het bereik waarvoor zij is opgesteld. De veiligheid na ontruiming is niet vanzelf het antwoord op de vraag waarom ontruiming nodig was.
Bronnen en beroepsgegevens: Hoge Raad 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1560, met name rov. 2.1, 3.2–3.7 en 4.1–4.8; kantoorprofiel Tijs van Tatenhove, uitsluitend voor beroeps- en contactgegevens. Het artikel is een analyse van de redactie, geen tekst van het kantoor.
Veelgestelde vragen
Heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het gebouw zou instorten?
Nee. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beoordeling onvoldoende had gemotiveerd. Het ging onder meer om het verschil tussen de belasting na veiligheidsmaatregelen en de oorspronkelijk beoogde belasting.
Is ADS al definitief veroordeeld tot vergoeding van herstelkosten?
Nee. Het hofarrest werd vernietigd en de zaak is verwezen voor verdere behandeling. De inhoudelijke einduitkomst en de vraag welke schade moet worden vergoed, zijn daarmee niet door dit cassatiearrest vastgesteld.
Waarom waren de ontruimde werkplekken relevant?
Door ontruiming veranderde de belasting van het gebouw. Een rapport over die gewijzigde situatie kan niet zonder nadere motivering worden gebruikt om conclusies te trekken over normaal gebruik van dezelfde ruimte.
Wat was de bijdrage van Tijs van Tatenhove?
Hij was samen met Bart van der Wiel cassatieadvocaat van het waterschap. Het team voerde succesvolle klachten aan over de gebruikte rapporten, de belastingsscenario’s en de beoordeling van reeds getroffen veiligheidsmaatregelen.
Geldt bij ieder ernstig bouwgebrek automatisch een termijn van tien jaar?
Nee. In deze zaak ging het om een specifieke bepaling uit de UAV-GC 2005 en de daarbij behorende criteria. Andere contracten of andere feitelijke situaties moeten afzonderlijk worden beoordeeld.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Bouwrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →